Door Sarah Shourd, Oakland, Californië

Om kwart over vijf ’s middags stapte ik dwangmatig heen en weer in mijn cel van drie bij vier meter in de Evin-gevangenis in Iran, sprak ik mezelf mompelend moed in en wrong ik mijn nerveuze handen samen in een dikke vuist. ‘Wees gerust,’ zei ik tegen mezelf, ‘dit is waarschijnlijk de laatste dag dat je alleen bent, het kan niet waar zijn dat ze je hierbinnen gek laten worden.

 

Het was 2009, aan het begin van de winter. Samen met mijn verloofde Shane Bauer en onze vriend Josh Fattal had ik sinds de zomer, toen we opgepakt en beschuldigd waren van spionage na een wandeling ergens in de buurt van de niet-gemarkeerde grens van het land met Iraaks Koerdistan, gevangen gezeten in Iran. In de voorbije drie maanden had ik 24 uur per dag in eenzame opsluiting opgezeten. Pas nadat ik vijf dagen in hongerstaking was gegaan, mocht ik met Shane en Josh, alle drie geblinddoekt, een paar minuten per keer praten in een gecapitonneerde ruimte. De dag ervoor had een van mijn ondervragers me verteld dat we elkaar vanaf nu elke dag een halfuur mochten spreken in een openluchtcel. Toen het moment naderde dat we elkaar zouden zien, begon ik over mijn toeren heen en weer te stappen in mijn cel, doodsbang dat de belofte slechts een geintje was geweest en dat de bewakers niet zouden komen. Om kwart over zes zweette ik en stroomden de tranen over mijn wangen.
 

 

Het is onmogelijk om te overdrijven hoeveel het gezelschap van een ander mens betekent wanneer je bent afgesneden van de wereld en beroofd van je rechten en vrijheid.
 

 

Na twee maanden zonder noemenswaardig menselijk contact begon ik geestelijk af te glijden. Op sommige dagen hoorde ik voetstappen naderen op de gang, maar dat bleek schijn. Ik zat dagelijks urenlang op handen en voeten bij een klein spleetje in de deur te luisteren. In de periferie van mijn gezichtsvermogen begon ik opflitsende lichten te zien, maar wanneer ik mijn hoofd met een ruk omdraaide, was er niets. Meer dan eens sloeg ik met mijn vuisten tegen de muren tot ze bloedden en huilde ik tot ik niet meer kon. Op een gegeven moment hoorde ik iemand schreeuwen, en pas toen ik de handen van een van de vriendelijkere bewakers op mijn gezicht voelde, die me weer bij zinnen probeerde te brengen, besefte ik dat het geschreeuw van mijzelf afkomstig was.
 

 

Van de veertieneneenhalve maand, ofwel 9840 uur, dat ik als politieke gevangen vastzat in de Evin-gevangenis in Teheran, heb ik 9495 uur doorgebracht in eenzame opsluiting. Toen ik ruim een jaar geleden werd vrijgelaten, kwam ik er tot mijn ontzetting achter dat er in het VN-Verdrag tegen Martelen, een van de weinige verdragen die de Verenigde Staten hebben geratificeerd, niets vermeld staat over eenzame opsluiting. Ik ontdekte dat er wereldwijd ontelbare gevangenen in eenzame opsluiting zitten, waaronder naar schatting 20.000 tot 25.000 in de Verenigde Staten. Volgens Juan Méndez, de speciale rapporteur van de VN inzake marteling, lijkt deze praktijk ‘toe te nemen en qua toepassing en ernst te diversifiëren’.
 

 

Je hoeft niet te slaan om iemand pijn te doen en te laten lijden; de psychische marteling van langdurige eenzame opsluiting laat geen littekens achter, maar de effecten ervan zijn ernstig en verdwijnen slechts heel langzaam. De bewakers kwamen die winterdag gelukkig opdagen. Vanaf het moment dat ik Shane en Josh dagelijks voor korte tijd mocht spreken, verbeterde mijn geestelijke gezondheid, zij het slechts mondjesmaat. Ik was toen inmiddels zo diep in mezelf weggezonken dat er dagen waren dat ik niet met hen kon communiceren of hen zelfs maar in de ogen kon kijken wanneer ik naar hen toe werd gebracht. Na mijn vrijlating werd een posttraumatische stressstoornis bij mij vastgesteld. Nog altijd stap ik op en neer en wring ik mijn handen wanneer ik nerveus ben; ik heb nog steeds nachtmerries en kan niet goed slapen. Ik ben ermee opgehouden naar een bepaalde cursus voor lichamelijke oefeningen te gaan omdat het patroon van het plafond me doet denken aan het plafond in mijn cel.
 

 

Hoewel datgene wat de regering van Iran ons heeft aangedaan walgelijk en overduidelijk onrechtvaardig was, denk ik dat wij geluk hebben gehad. We voelden ons nooit vergeten; we wisten dat onze families, vrienden en medestanders het voor ons zouden blijven opnemen. En sinds mijn vrijlating vorig jaar en die van Shane en Josh in september van dit jaar hebben wij meer medeleven ontmoet dan de meeste ten onrechte vastgezette gevangenen hun hele leven krijgen.
 

 

Het is heerlijk om mijn leven weer op te pakken, en elke dag voel ik me vrijer, maar ik moet telkens denken aan de duizenden anderen die op dit moment alleen zijn. Naar mijn mening is de excessieve toepassing van eenzame opsluiting een wrede en buitensporige straf, dat wil zeggen, marteling. De VN moeten deze onmenselijke praktijk verbieden, en de Verenigde Staten moeten het voortouw nemen in de uitroeiing ervan.
 

 

Sarah Shourd is een schrijfster die van juli 2009 tot september 2010 gevangen heeft gezeten in Iran.
(The New York Times – 5 november 2011)