28 januari 2013 – Een groep van onafhankelijke deskundigen van de VN heeft Iran dringend verzocht vijf activisten die behoren tot de Arabische minderheid in Ahwaz en ter dood zijn veroordeeld op beschuldiging van corruptie, propaganda en ‘vijandschap jegens God’ niet terecht te stellen.

Mohammad Ali Amouri, Sayed Jaber Alboshoka, Sayed Mokhtar Alboshoka, Hashem Shabain Amouri en Hedi Rashidi, allen medeoprichters van Al-Hiwar, een wetenschappelijk en cultureel instituut, werden in 2011 thuis in Ahwaz vlak voor de zesde herdenkingsdag van wijdverbreide protesten van de gemeenschap van Ahwaz opgepakt. De tegen hen uitgesproken vonnissen zijn recent bevestigd door het hooggerechtshof.

‘Het is absoluut onaanvaardbaar dat individuen gevangen worden gezet en ter dood worden veroordeeld voor het uitoefenen van hun recht op vrijheid van vreedzame vergadering, vereniging, meningsuiting en het hebben van connecties met minderheidsgroepen en culturele instellingen,’ zei Ahmed Shaheed, de Speciale Rapporteur inzake de mensenrechtensituatie in Iran.

‘Volgens het internationaal recht mag de doodstraf alleen toegepast worden wanneer voldaan wordt aan zeer strikte voorwaarden, bijvoorbeeld alleen ten aanzien van zeer ernstige misdrijven, en alleen na een gerechtelijk proces en beroepsprocedures waarbij alle rechtsbeginselen nauwgezet in acht genomen worden,’ merkte Christof Heyns, de Speciale Rapporteur inzake buitenrechtelijk, standrechtelijke en arbitraire executies op, waarbij hij ernstige zorgen uitte over de procesgang in dit soort zaken.

Juan E. Méndez, de Speciale Rapporteur inzake martelingen, toonde zich zeer bezorgd vanwege berichten dat de activisten in gevangenschap onderworpen werden aan martelingen en andere vormen van mishandeling en gedwongen werden bekentenissen te ondertekenen.

‘Dit is niet alleen een inbreuk op de internationale verplichtingen van Iran krachtens het internationale verdrag, dat marteling zonder meer verbiedt, maar ook een inbreuk op de Iraanse grondwet, waarin een expliciet verbod is opgenomen op de toepassing van alle vormen van marteling om bekentenissen af te dwingen en informatie te vergaren,’ zei Juan Méndez.

Maina Kiai, de Speciale Rapporteur inzake het recht op vreedzame vergadering en vereniging, wees de Iraanse autoriteiten op hun internationale verplichtingen en herinnerde ze eraan dat ‘Iran zich heeft aangesloten bij het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, dat de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering waarborgt.

Rita Izsák, de onafhankelijke VN-deskundige inzake minderheidskwesties, zei dat ze zich zorgen maakt over het aantal gevallen waarin tot minderheden behorende individuen worden veroordeeld wegens hun aan hun rechten gerelateerde activiteiten.

‘Ik doe een dringende oproep aan de regering van Iran om deze executies niet door te laten gaan en de vonnissen van de rechtbanken te herzien om ervoor te zorgen dat alle mensenrechten, waaronder minderheidsrechten, volledig gehandhaafd en gerespecteerd worden,’ voegde ze eraan toe.

Speciale rapporteurs zijn onafhankelijke deskundigen die door de VN-Mensenrechtenraad worden aangesteld om onderzoek te doen naar en verslag te doen over de situatie in een land of over een specifiek mensenrechtenthema. De deskundigen zijn geen VN-personeel en worden niet betaald voor hun werk.