Op vrijdag 16 februari is Saeed Rezaei, een van de zeven leden van de voormalige groep leiders van de baha’i-gemeenschap in Iran die bekendstaat als de ‘Yaran’ (‘Vrienden’) in de ochtend vrijgelaten na een gevangenisstraf van tien jaar. Om te voorkomen dat de familie en vrienden van Rezaei buiten bij de gevangenis zouden wachten om hem te begroeten, namen veiligheidsagenten hem mee in een auto en lieten hem een eindje van de gevangenis vrij.

De zeven baha’i-leiders werden begin 2008 gearresteerd. De ernstigste beschuldigingen waren spionage, propaganda tegen het regime en de oprichting van een illegale organisatie. Het Revolutionaire Gerechtshof veroordeelde hen aanvankelijk tot 20 jaar cel, wat in beroep werd teruggebracht tot 10 jaar.

Saeed Rezaei, 61, is een vooraanstaand landbouwkundig ingenieur en was voor zijn arrestatie directeur van een bedrijf in Shiraz dat landbouwmachines maakte. Zijn vrijlating geschiedde slechts een paar dagen na de arrestatie van zeven baha’i’s in de havenstad Bushehr aan de 

Perzische Golf.

Na zijn arrestatie in 2008 werd Rezaei naar afdeling 209 van de Evin-gevangenis gebracht, die onder gezag staat van het ministerie van Inlichtingen, en zat hij vier maanden vast in een isoleercel. Hij en zes andere baha’i-leiders hadden voorafgaand aan de rechtszaak al 27 maanden in detentie gezeten, waarmee de wet werd geschonden die detentie zonder vonnis beperkt tot een korte periode. Na hun proces werden ze overgebracht naar de Rajaei Shahr-gevangenis in Karaj nabij Teheran en zaten ze zes maanden tussen gewone gevangenen, totdat ze werden overgeplaatst naar afdeling 12, waar gewetens- en politieke gevangenen verblijven.

In een interview na zijn vrijlating zei Saeed Rezaei dat hij het in de gevangenis het moeilijkst had gehad toen hij werd verhoord. In die tijd had hij geen toegang tot een advocaat en mocht hij niet praten met zijn familie of hen ontmoeten. De verhoorders zetten de baha’i-leiders onder druk zodat ze zouden bekennen dat ze spionnen waren. ‘We ontkenden deze beschuldiging fel,’ zei hij.

Geestelijk en lichamelijk mishandeld

Tijdens de verhoren werden de baha’i-leiders geestelijk en lichamelijk mishandeld. Bewakers van de gevangenis stompten en beledigden hen en bedreigden hen herhaaldelijk. Rezaei vertelde dat enkele nog gevangenzittende baha’i-leiders daarnaast ook werden afgeranseld. De autoriteiten dreigden Rezaei’s vrouw en dochters te arresteren als hij weigerde mee te werken.

Rechter Mohammad Moghiseh gaf leiding aan het proces tegen de Yaran-groep. In de laatste jaren hebben mensenrechtenorganisaties en de Europese Unie zich kritisch uitgelaten over Moghiseh en andere rechters vanwege grove mensenrechtenschendingen. Nobelprijswinnaar Shirin Ebadi, Abdolfattah Soltani, Mahnaz Parakand en Hadi Esmaeilzadeh fungeerden als advocaten van de groep. Tijdens het proces toonden ze een document waaruit was op te maken dat het ministerie van Inlichtingen de rechtbank had geïnformeerd dat de aangeklaagden geen spionnen waren. Shirin Ebadi en Mahnaz Parakand hebben Iran inmiddels verlaten, Abdolfattah Soltani zit op dit moment in de gevangenis en Hadi Esmaeilzadeh is ontslagen als hoogleraar.

‘De contraspionageafdeling van het ministerie van Inlichtingen had een brief verzonden waarin werd meegedeeld dat ze tot aan onze arrestatie geen bewijzen hadden gevonden dat wij spionnen waren,’ zei Rezaei tegen IranWire. ‘Het was het ministerie van Inlichtingen van wie deze mededeling afkomstig was. Tijdens het proces zei Soltani tegen rechter Moghiseh: ‘U dient onpartijdig te zijn in uw oordeel over de aanklacht van de officier van justitie en de verdediging van de advocaten, maar praktisch gezien loopt u vooruit op de officier van justitie.’

Naast de verdediging van de advocaten hadden de baha’i-leiders een verklaring opgesteld waarin stond dat ze hoopten berecht te zullen worden. ‘De rechter stond ons zelfs niet toe deze verklaring voor te lezen en onderbrak ons voortdurend,’ zei Rezaei. ‘Het duurde ruim twee uur om de tekst voor te lezen, iets wat normaal een kwartier in beslag zou hebben genomen. Ze hield drie rechtszittingen. Ze hadden gezegd dat het proces toegankelijk zou zijn voor publiek, maar lieten onze familieleden, die voor de deur stonden, niet binnen. We zeiden dat ze óf een openbare zitting moesten houden, óf dat ze openbaar moesten maken dat het een proces achter gesloten deuren was. De advocaten weigerden hun werk te doen. Pas nadat we drie keer de rechtszaal hadden verlaten, hielden ze het proces in de vierde zitting eindelijk in een toegankelijke rechtszaal en werden onze families binnengelaten. Ze brachten een camera binnen die kennelijk toebehoorde aan het ministerie van Inlichtingen en de rechterlijke macht en legden daarmee het hele proces vast.’

In de tien jaar dat hij gevangenzat, had Saeed Rezaei naast mishandelingen ook te kampen met fysieke problemen. Hij zegt dat 95 procent van zijn fysieke lijden begon tijdens zijn verblijf in de gevangenis, waaronder hart- en knieproblemen. In die tien jaar kreeg hij geen enkele keer – zelfs niet voor één dag – verlof om naar huis te gaan, zoals gebruikelijk is voor gevangenen in Iran die lange straffen uitzitten. Hij had verzocht om een medisch verlof, maar de autoriteiten en gevangenisfunctionarissen verwierpen zijn verzoek, hoewel de Wettelijke Medische Organisatie en specialistische artsen hadden geoordeeld dat hij vanwege artrose geopereerd moest worden aan zijn knie en daarna drie maanden zou moeten herstellen in het ziekenhuis.

‘In de gevangenis is gewoon medisch personeel aanwezig, zoals huisartsen,’ zei Rezaei, ‘of enkele specialisten die af en toe langskomen. Maar de gevangenis beschikt niet over faciliteiten als MRI en radiologische apparatuur.’ Hij werd een paar keer onder bewaking naar het ziekenhuis gebracht voor een angiografie. Ongeveer zeven maanden geleden vroeg hij opnieuw om een angiografie, maar de gevangenisfunctionarissen vertelden hem dat hij alleen in gevangenistenue naar het ziekenhuis mocht. Dat weigerde hij, met als gevolg dat zijn bloedvaten niet nader onderzocht werden.

Co-existentie en respect in de gevangenis

Rezaei zegt nu, na tien jaar gevangenis, dat zijn beste en onvergetelijkste herinneringen verband houden met de ‘co-existentie’ van verschillende geloven en denkwijzen waarmee hij te maken kreeg in de gevangenis. ‘Zowel gewone als politieke gevangenen zagen ons als landgenoten,’ vertelde hij. ‘Na een poos samengeleefd te hebben ontstond er tussen ons een vreedzame co-existentie. Zelfs als sommige gevangenen een paar weken onvriendelijk tegen ons waren, ontwikkelde zich na verloop van tijd een vriendschap. Hun respect voor ons was zeer aangenaam. In de gevangenis lukte het ons samen te leven met politieke gevangenen die anders dachten dan wij, en dit was voor beide partijen een bijzondere ervaring. Nu leeft er bij ons geen twijfel meer dat het Iraanse volk, als het vrij zou zijn en niet onderling tegen elkaar werd opgehitst, vreedzaam samen zou kunnen leven. Onze ervaring in de gevangenis kan in heel Iran werkelijkheid worden.’

Net als andere gevangenen kreeg Saeed Rezaei nieuws te horen over wat gaande was in Iran, en met name ten aanzien van de baha’i’s, via de wekelijkse bezoeken van zijn familie. Ze vertelden hem over het voortduren van het verbod voor baha’i’s om te studeren aan instellingen voor hoger onderwijs, over de sluiting van hun bedrijven en over de arrestatie van baha’i’s in heel Iran. Hij zegt dat ondanks dit nog altijd voorkomende onrecht in Iran ‘het bemoedigend en hoopgevend is dat burgerlijke en media-activisten dit nieuws blijven verspreiden en in veel gevallen opkomen voor de burgerrechten die ons onthouden zijn. Dit soort nieuws beurde ons op in de gevangenis. Denk niet dat verspreiding van dit nieuws geen zin heeft.’

In zijn laatste momenten in de gevangenis sprak Rezaei met zijn medegevangenen over de zinloosheid van de behandeling van de baha’i’s door het regime. ‘Wat voor nut had deze tien jaar in de gevangenis?’ vroegen ze mij. ‘Heb je je geloofsovertuigingen laten varen?’ Ik antwoordde van niet. Een bevriende medegevangene zei: “Deze gevangenzetting is nergens goed voor, noch voor jou noch voor hen.” Vroeg of laat zullen de machthebbers in dit land tot het besef komen dat dit zo is. Ik weet niet wanneer, maar wij moeten in Iran blijven totdat de misverstanden zijn opgelost.’